Aa Lettergrootte
16
 
Opioïden bij pijn tijdens de borstvoedingsperiode
Overzicht

Het kortdurende gebruik van opioïden (morfinomimetica) tijdens de borstvoeding is waarschijnlijk veilig voor de zuigeling. De voorkeur gaat uit naar alfentanil, buprenorfine, fentanyl, methadon, nalbufine of tramadol.

Let op

  • Vermijd het gebruik van deze middelen gedurende langere tijd. Het grootste gevaar van opioïden is ademhalingsdepressie bij de zuigeling.
  • Opioïden kunnen de toeschietreflex van de borstvoeding verminderen.
Risico indeling
  • Waarschijnlijk veilig Dit geneesmiddel kan gebruikt worden tijdens de borstvoedingsperiode. Maar indien mogelijk heeft een geneesmiddel uit de categorie ‘Meest veilig’ de voorkeur. Bijvoorbeeld omdat er minder van dat middel in de melk terechtkomt of omdat er meer onderzoek naar is gedaan (zie tekst ‘Meer weten’).
    • - alfentanil (kortdurend)
    • - buprenorfine
    • - fentanyl (kortdurend)
    • - methadon
    • - nalbufine (kortdurend)
    • - tramadol (kortdurend)
  • Mogelijk risico Dit geneesmiddel kan via de melk mogelijk nadelige effecten geven bij de zuigeling. Overweeg of een veiliger middel gebruikt kan worden. Als dat niet kan, weeg dan de mogelijke nadelige effecten af tegen het belang van borstvoeding voor het kind. Voer extra controles uit bij het kind of ga over op flesvoeding.
    • - codeïne (kortdurend)
    • - morfine
    • - pethidine
  • Risico Het is niet veilig om dit geneesmiddel te gebruiken in de borstvoedingsperiode. Kies zo mogelijk voor een veiliger middel. Als dat niet mogelijk is, ga dan over op flesvoeding.
    • - codeïne (langdurig)
    • - oxycodon
  • Risico onbekend Over gebruik van dit geneesmiddel tijdens de borstvoedingsperiode is nauwelijks of geen informatie. Het is niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid. Kies bij voorkeur voor een middel waarvan meer bekend is over de veiligheid.
    • - fentanyl (langdurig)
    • - hydromorfon
    • - nicomorfine
    • - piritramide
    • - remifentanil
    • - sufentanil
    • - tapentadol
    • - tramadol (langdurig)

Codeïne
Codeïne wordt meestal in kleine hoeveelheden uitgescheiden in de moedermelk. Eén casusbeschrijving vermeldt sterfte van de zuigeling na gebruik van codeïne door de moeder. De moeder had een verhoogde activiteit (ultra rapid metabolizer) van het cytochroom P450 iso-enzym CYP2D6. Dit genotype komt voor bij 1 tot 2% van de Europese bevolking. Codeïne wordt bij dit genotype versneld omgezet in morfine. Dit leidt tot hogere morfinespiegels in het bloed van de moeder en in de moedermelk.

Morfine
Morfine heeft een lage biologische beschikbaarheid. Bij neonaten en prematuren kan morfine stapelen, doordat de klaring langzamer verloopt. Dit kan mogelijk leiden tot onder andere ademhalingsdepressie, sedatie en obstipatie.

Pethidine
Pethidine gaat over in de moedermelk. De halfwaardetijd is lang bij neonaten, waardoor het middel kan stapelen. Verminderde alertheid is beschreven bij neonaten na behandeling van de moeder met pethidine na een keizersnede.

Oxycodon
In een onderzoek werd bij 20% van de neonaten sedatie gezien bij gebruik van oxycodon door de moeder. Daarnaast is eenmaal een intoxicatie gemeld bij een neonaat.

Methadon
Methadon wordt door de zuigeling goed verdragen. Wees bij langdurig gebruik en hogere doseringen alert op ademhalingsdepressie en sedatie van de zuigeling.

Buprenorfine
De beperkte ervaring met buprenorfine wijst niet op nadelige effecten bij de zuigeling. De concentratie in de moedermelk is laag en de opname vanuit het maagdarmkanaal gering. De blootstelling van de neonaat is daarom naar verwachting beperkt.

Overige opioïden
Alfentanil, fentanyl, nalbufine en sufentanil worden na eenmalige toediening slechts in zeer kleine hoeveelheden in de melk uitgescheiden. Van de overige middelen zijn onvoldoende gegevens bekend om een uitspraak te kunnen doen over de mogelijke risico’s.

Toeschietreflex
Opioïden remmen de afgifte van oxytocine in de hersenen. De toeschietreflex van de borstvoeding kan daardoor verminderen.

Laatst bijgewerkt op 26-08-2019


De informatie op deze pagina is gebaseerd op gebruik van het geneesmiddel in de aanbevolen dosering, zonder dat de patiënt daarbij andere geneesmiddelen gebruikt. Welk geneesmiddel de beste keuze is, kan per persoon en per situatie verschillen. Daarom is goed overleg tussen zorgverlener en patiënt essentieel. Bij elke zwangerschap is er een basisrisico van 10 tot 15% op een miskraam en van 2 tot 4% op het krijgen van een baby met een aangeboren afwijking. De informatie bij zwangerschap gaat over de vraag of dit risico groter wordt door gebruik van het geneesmiddel. De informatie over borstvoeding is gebaseerd op het mogelijke risico voor de zuigeling, uitgaande van een gezonde, voldragen baby van 0 tot 2 maanden. Bij een te vroeg geboren, kleine, lichte of zieke baby moet men extra voorzichtig zijn. Een oudere zuigeling is juist minder kwetsbaar.